‘Het werd hoog tijd voor een nieuw etymologisch woordenboek’, vertelt Marlies Philippa, universitair docent historische Nederlandse taalkunde aan de UvA en hoofdredacteur van het nieuwe Etymologisch Woordenboek van het Nederlands (EWN).
‘Op alle bestaande woordenboeken is wel wat aan te merken. Ze zijn verouderd, te beknopt of te eenzijdig. Het wetenschappelijk woordenboek van Jan de Vries bijvoorbeeld dateert alweer uit 1971; het woordenboek van De Tollenaere behandelt relatief weinig woorden, die bovendien veelal in dialecten voorkomen en dus geen deel uitmaken van het algemeen gesproken Nederlands. Daarbij zijn er allerlei ontwikkelingen in de etymologische wetenschap die niet of slechts ten dele in de huidige woordenboeken terug te vinden zijn. Wij proberen alle hypotheses te verwerken.’
Een voorbeeld van zo’n hypothese is de substraattheorie, die nu voor het eerst wordt toegepast als basis van lemma’s in een algemeen etymologisch woordenboek. Philippa: ‘Sinds de negentiende eeuw weten we dat het Nederlands zoals wij dat kennen afkomstig is van het Germaans, dat op zijn beurt weer van het Indo-Europees afstamt. Door deze ontdekking waren in één klap een hoop woorden te herleiden, maar niet alle. Er bleven veel woorden over die wel uit het Germaans, maar niet uit het Indo-Europees afkomstig waren. Tot voor kort werden die op één hoop gegooid en aangeduid als een soort restcategorie. Door middel van de substraattheorie kunnen deze woorden tegenwoordig wel herleid worden. De substraattheorie gaat er namelijk van uit dat er vóór het Indo-Europees in Europa nog oudere talen bestonden die in latere taalgroepen hun sporen hebben achtergelaten. Zo ook in het Germaans. Steeds meer kenmerken van deze voor-Germaanse, zogeheten substraatwoorden worden nu in kaart gebracht.’
In de inleiding van het EWN wordt trots gerept over het systematische bronnenonderzoek dat voor het eerst is uitgevoerd. Philippa: ‘Het slaat op een relatief nieuw wetenschappelijk fenomeen, namelijk het dateren van eerste vindplaatsen van woorden. Dit gebeurde tot voor kort niet of nauwelijks. De meeste woordenboeken kwamen niet verder dan een periodeaanduiding. Je kon dan lezen dat een woord voor het eerst in het Middel-Nederlands was gevonden. Maar de periode dat men Middel-Nederlands sprak, loopt van 1200 tot ongeveer 1500. Die datering is dus voor verbetering vatbaar. Sinds kort dateert de grote Van Dale alle woorden, ze geven in het lemma aan wanneer het betreffende woord voor het eerst is aangetroffen. Het EWN probeert een stap verder te gaan. We proberen van alle woorden niet alleen te vermelden wanneer ze voor het eerst in schriftelijke vorm gevonden zijn, maar ook waar. Dit zoeken stopt nooit. Je kunt niet weten wanneer een woord voor het allereerst in druk of handschrift gebruikt is. Taalkundigen proberen elkaar zelfs de loef af te steken als het gaat om eerste dateringen.’
Het systematische bronnenonderzoek heeft ook betrekking op betekenisverschuivingen. Philippa: ‘Dat is echt nieuw binnen de etymologie. Voor het eerst proberen wij per woord te achterhalen of er in de loop der jaren een verschuiving van de betekenis heeft plaatsgevonden. Als dat zo is, gaan we na wanneer hiervoor de eerste aanwijzingen kunnen worden gevonden, onder welke invloed de verschuiving heeft plaatsgevonden en welke diverse betekenissen het woord heeft gehad. Neem het woord “commode”. Daarmee werd aanvankelijk een wandkast of ladekast bedoeld met een marmeren bovenblad. Gaandeweg werd er steeds vaker een pronkmeubel mee aangeduid. In de loop van de negentiende eeuw kwamen dit soort kasten in de slaapkamer terecht, waar men ze gebruikte om de lampetkan op te zetten. En zo werd een commode een wastafel. Maar de modernisering trad in, de vaste wastafel, aangesloten op de waterleiding, deed in de twintigste eeuw zijn intrede. De lampetkan raakte snel in onbruik. Pas vanaf dat moment kreeg het woord “commode” zijn huidige betekenis “babycommode”. Dat gebeurde alleen in het Nederlands.’
Dit soort ontdekkingen zijn voor de taalkundigen de krenten in de pap. Maar niet alleen voor hen. Philippa: ‘Anekdotes over taal zijn voor iedereen leuk. Het genootschap Onze Taal heeft meer dan veertigduizend leden. Dat zijn echt niet allemaal wetenschappers of onderwijzers. Sterker nog, het grootste deel van die leden bestaat uit mensen die de Nederlandse taal beschouwen als een zeer interessante hobby. Het Nederlands leeft. En niet alleen in ons land en Vlaanderen, ook in het buitenland groeit de belangstelling explosief. In Tsjechië bijvoorbeeld kun je Nederlands leren op de middelbare school. Het is daar enorm populair.
Het nieuwe etymologisch woordenboek is bedoeld voor deze geïnteresseerde leken, maar we doen ook een hoop collega’s uit binnen- en buitenland plezier ermee. In het Nederlands komen zo veel leenwoorden uit het Frans en Duits voor dat het EWN voor wetenschappers uit die landen veel waarde heeft. Ook door de toepassing van de substraattheorie is het woordenboek voor hen interessant. We mikken heel bewust op twee doelgroepen: de wetenschapper en de taalliefhebber.’
Is er met alle parate kennis over de geschiedenis van taal iets zinnigs te zeggen over mogelijke toekomstige ontwikkelingen? Philippa: ‘Nee, absoluut niet. Taal zal zich blijven ontwikkelen, maar het is onmogelijk te zeggen in welke richting. De opmars van het Engels in onze taal is in dit verband wel een aardig voorbeeld. Als het gaat om functieomschrijvingen in vacatures wint het Engels terrein. Iedereen zoekt tegenwoordig een sales manager, een office manager of een creative director. Maar in andere hoekjes van de taal komt het Nederlands weer terug; Engelse kreten als corner en penalty worden weer gewoon hoekschop en strafschop. Dit soort ontwikkelingen is niet te voorspellen.’
Philippa maakt zich geen zorgen over de opmars van andere talen in het Nederlands. ‘Ongeveer driekwart van onze woordenschat bestaat uit leenwoorden. Het Nederlands is flexibel en sterk genoeg om te kunnen omgaan met incidentele termen uit een andere taal. Als ze aanslaan, zullen ze “vernederlandst” worden en anders verdwijnen ze. Wat wel een bedreiging voor het gebruik van het Nederlands kan zijn, is als de taal in bepaalde kringen niet meer zal worden gesproken. In het onderwijs wint het Engels steeds meer terrein. Dat kan het fundament van onze taal aantasten. Ook het bedrijfsleven bedient zich in toenemende mate van het Engels. Als dat te ver doorzet, houd je geen taal meer over maar een dialect. Maar goed, zo’n vaart loopt het niet, denk ik.’ Het vierde en laatste deel van het EWN moet in 2009 verschijnen, tot dan zal Philippa veel van haar aandacht en tijd besteden aan het EWN. Dat is allerminst een opgave. ‘Mijn werk beschouw ik als keiharde wetenschap die ik als liefhebberij beoefen.’
24-10-2003, Folia, Weekblad voor de Universiteit van Amsterdam, jrg. 57