De vraag waar dit of dat woord vandaan komt, is niet zo oud als de wereld. Althans niet zo oud als de christelijke, westerse wereld. In de Middeleeuwen was het antwoord namelijk duidelijk: de verschillende woorden van de verschillende talen waren door God gemaakt, bij de toren van Babel.
Het is pas in de vroege Renaissance, dat men gaat twijfelen aan dat verhaal. In de 14de eeuw gaan renaissancemensen de oude Latijnse schrijvers opnieuw lezen, en ze ontdekken dat er groot verschil is tussen het Italiaans van dat moment en het klassieke Latijn. En dom waren ze niet. Het verschil moest er gekomen zijn tussen de Romeinse tijd en hun eigen 14de eeuw. De conclusie lag voor de hand: het Latijn was dus blijkbaar veranderd in die tussentijd. En de volgende conclusie was: dat het Italiaans niet rechtstreeks bij de toren van Babel begon, maar uit het Latijn was voortgekomen.
En wat voor het Italiaans gold, kon ook wel eens voor andere talen gelden. Wat was, bijvoorbeeld voor het Nederlands, de vroegere toestand? Als het Italiaans voortkwam uit het Latijn, waaruit kwam dan het Nederlands voort? Ook uit het Latijn? Of uit het Hebreeuws? En waaruit kwam het Latijn voort?
Zo duidelijk en overzichtelijk als het middeleeuwse beeld was, zo onduidelijk en verward waren de ideeën van de 16de, 17de en 18de eeuw. De wildste theorieën deden de ronde. Pas aan het begin van de 19de eeuw krijgt de taalwetenschap een beetje greep op dat probleem. Dat kwam door het werk van enkele kopstukken als Rasmus Rask en Jakob Grimm.
Vooral Grimm ging heel systematisch te werk. Door vele talen nauwkeurig te vergelijken, ontdekte hij dat sommige talen weliswaar verschilden, maar steeds op dezelfde manier. Neem bijvoorbeeld het Nederlandse woord hoofd en het Latijnse woord caput. Die lijken op het eerste gezicht niet erg op elkaar. Maar kijk nu ook eens naar hoorn en cornu, hond en canis, hart en cor. Allicht ziet u wat Grimm zag: steeds heeft het Nederlands een -h- waar het Latijn een -c- heeft. Toen werd Grimm heel enthousiast en hij verzamelde alle Latijnse woorden die met c- beginnen, en warempel, de bijbehorende Nederlandse woorden beginnen nagenoeg allemaal met h-. Dat kon geen toeval zijn.
Al gauw ontdekte Grimm dat wat voor h- en c- gold, voor vele andere klanken ook gold. Om een lang verhaal kort te maken: de Nederlandse woordenschat (en de Engelse en de Duitse en nog van een paar talen) loopt in hoge mate parallel met de Latijnse woordenschat, maar met bepaalde, consequente mutaties.
Dan komt natuurlijk de vraag: hoe komt dat? Even is gedacht dat het Nederlands, het Engels en het Duits dan wel van het Latijn zouden stammen, maar nee, dat klopt niet. ’t Geldt wel voor het Frans, het Spaans en het Italiaans, die inderdaad van het Latijn stammen, maar de relatie met het Nederlands, Engels en Duits is iets minder nauw. We houden het erop dat én het Latijn (met zijn latere Frans, Spaans en Italiaans) én het Nederlands, Duits en Engels allemaal afstammen van een oudere gemeenschappelijke taal. Laten we die taal, die nu niet meer bestaat, het Proto-Indo-Europees noemen. Daarmee was eindelijk weer een serieus antwoord mogelijk op de vraag: waar komen onze woorden vandaan? Dat is: bijna 500 jaar nadat het verhaal over de toren van Babel had afgedaan als taalkundige theorie.
Grimm en vele andere taalkundigen na hem beschreven hun uitkomsten uitvoerig, in etymologische woordenboeken. Daarin kon ieder die het weten wilde, lezen hoe ons woord hoofd samenhangt met het Latijnse caput, en met het Gotische haubith, en met de vormen uit het Oudnoors, Angelsaksisch, Oudkerkslavisch, Grieks, Sanskriet, Oudperzisch of West-Nederfrankisch. Al naar gelang. De tijd van wilde theorieën was voorbij, om plaats te maken voor secure en minutieuze vergelijking van talen.
Aangemoedigd door hun succes, en de hele onderneming was inderdaad een succes, ging men op zoek naar een steeds verder verleden. Als je alle dochtertalen en afstammelingen op een rijtje zet, is het dan mogelijk het (niet meer bestaande) Proto-Indo-Europees te reconstrueren? Als het Nederlands hoofd heeft, en het Latijn caput, hoe zal dan het Proto-Indo-Europese woord geweest zijn? Valt dat te zeggen? Inderdaad een intrigerende kwestie.
Maar eerlijk gezegd, de gewone mens was daar niet zo in geïnteresseerd. Voorbij het Latijn en het Sanskriet verloor die zijn belangstelling. Liever zou hij weten hoe het zit met kapitaal en kapittel en kapitein. Maar dat zijn leenwoorden, en daar gaat een traditioneel etymologisch woordenboek niet over. Ze staan er vaak niet eens in. Toch zou men graag willen weten hoe die dan in onze taal terechtgekomen zijn, en wanneer, en waarom. Voor de meeste mensen is het raadplegen van een etymologisch woordenboek een teleurstelling. Je hebt er heel wat vakkennis voor nodig om het te begrijpen, en het geeft vaak niet het soort antwoorden waar men op uit is.
Dat verandert, maar ’t gaat langzaam. Al was het maar doordat er niet zo heel vaak een nieuw etymologisch woordenboek geschreven wordt. Maar het is duidelijk dat de etymologen naast hun belangstelling voor de oudste en alleroudste vormen (want die blijft, gelukkig) ook een beetje oog beginnen te krijgen voor wat er nadien met een woord gebeurd is.
Leenwoorden zijn ook boeiend. Uit welke talen hebben we woorden overgenomen? En waarom juist dat woord uit die taal, en in die periode? Ik weet dat het woord kwispedoor uit het Portugees is overgenomen, tweede helft 17de eeuw. Maar hoe komen we in de 17de eeuw aan een Portugees woord? Waarom uit het Portugees? En waarom juist toen? Ik weet het antwoord, maar ’t is niet makkelijk te vinden. Kijk, dit alles moet u weten om te begrijpen waarom ik zo enthousiast ben over het nieuwe Etymologisch Woordenboek van het Nederlands van Philippa, Debrabandere en Quak. Toegegeven, er is voorlopig alleen deel 1, A-E. Maar dat is genoeg om te zien wat het geheel gaat worden.
Om te beginnen: het is een uiterst serieus en degelijk wetenschappelijk werk. In verschillende opzichten beter dan alles wat we op dit gebied hebben. Al was het maar omdat recente inzichten erin verwerkt zijn (daar zaten we al decennia op te wachten), en omdat op vele plaatsen verwijzingen gegeven worden naar vakliteratuur. Ik moet een wetenschappelijke beoordeling van de taalkundige merites overlaten aan recensies in de vaktijdschriften, maar ik heb het volste vertrouwen in de uitkomst ervan.
Hier is het belangrijker te vermelden dat dit nieuwe etymologisch woordenboek een fraai evenwicht weet te bereiken tussen informatie over de (soms verre) voorgeschiedenis van de woorden en hun latere lotgevallen; dat zowel de vanouds Nederlandse woorden als de leenwoorden uit alle eeuwen gepaste aandacht krijgen; dat er heel veel woorden besproken worden, veel meer dan in bijna alle andere vergelijkbare werken; dat naast arm, wat al een vreselijk oud woord is, ook woorden als bikini (sedert 1952), callgirl (sedert 1968) en camper (sedert 1984) aan de orde komen. Allemaal keurig op hun alfabetische plaats.
En dan heb ik de allergrootste verdienste van dit werk nog niet eens genoemd. Namelijk dat dit het eerste en enige etymologische woordenboek in de hele wereld is dat ik ken, waarin de zaken behoorlijk en begrijpelijk uitgelegd worden. Soms weten ze het niet, en dan staat dat er eerlijk bij: we weten het niet. Maar heel vaak weten ze het wel, en dan wordt het uitgelegd op een manier die de hoogste lof verdient. Het is een goudmijn aan boeiende informatie, en een begrijpelijke, toegankelijke goudmijn.
Het is al bij al bitter om te bedenken hoe lang mevrouw Philippa, de oermoeder van het project, bij allerlei instanties heeft moeten leuren om een beetje geld, om haar werk te kunnen voortzetten. Een blamage vind ik dat voor de overheidsinstellingen die wetenschappelijk onderzoek dienen te financieren (ik bedoel: afgewogen tegen de prullen die ze soms wel subsidiëren).
In het begin deed ze het werk in haar eentje, soms met hulp van een paar studenten en onbezoldigde liefhebbers. Later kreeg ze de krachtige steun van twee andere professionals: Debrabandere en Quak. Maar de onbezoldigde liefhebbers bleven in touw, onder het wakend oog van Philippa, Debrabandere en Quak, en zij allen verdienen een pluim op hun hoed. Bij dezen. Trouwens ook de uitgever verdient een pluim, de Amsterdam University Press, die het heeft aangedurfd dit boek uit te geven, en zo mooi uit te geven.
Laten we hopen dat dit eerste deel het pad effent voor de resterende delen 2, 3 en 4. Nu, dat ze er komen, daar twijfel ik niet aan; maar laat het voor de redactie iets minder een financiële lijdensweg zijn.
Wie eens nader wil kennismaken met het hele project, vindt op het internet veel informatie. Bij de uitgever (www.aup.nl/etymologie) wordt heel wat over dit woordenboek verteld. En tot eind januari 2004 kon je zelfs dit hele eerste deel gratis op het internet raadplegen (www.etymologie.nl), maar daarna krijgen alleen licentiehouders toegang tot de website. Naar mijn schatting zal de kwispedoor in deel 2 behandeld worden. Ik weet dus nog niet wat ze daarover gaan zeggen. Maar ik verwacht dat het meer, en beter gedocumenteerd zal zijn dan wat ik er nu over weet. En ongetwijfeld helder uitgelegd.
Joop van der Horst
in Neerlandia - Nederlands van Nu jaargang 108 (2004), nummer 1
www.algemeennederlandsverbond.org