Frits van der Meer (1904-1994) veroorzaakte in 1941 een kleine revolutie met zijn Catechismus, die een compleet nieuwe manier van geloofsverkondiging presenteerde. Zijn Augustinus de Zielzorger geldt nog steeds als het beste boek over Augustinus’ pastorale praktijk. Terwijl hij als hoogleraar kunstgeschiedenis in Nijmegen aan de weg timmerde, leidde zijn zus Bertha een verborgen leven als zuster Martina, moniale in de karmel van Drachten. Ze correspondeerden ruim veertig jaar met elkaar. Zijn openhartige brieven – die van haar zijn vernietigd – worden hier uitgegeven, voorafgegaan door een beknopte dubbelbiografie.
Tegenover zijn ‘Chère Martine’ is Van der Meer, die hautain en afstandelijk werd gevonden, spontaan, gezellig en meelevend. Hij schreef over theologische en kunsthistorische kwesties, reizen en ontmoetingen, hun geboortestad Bolsward en zijn tijd in het grootseminarie in Rijsenburg. Ook gaf hij zijn ongezouten mening over de roomse ruzies in de jaren 1970. Op de achtergrond rijst de figuur op van zijn kunstzinnige en stille zuster aan wie hij ‘altijd dacht. Altijd.’